Fiche 4.2. De risicoanalyse en de actieplannen.

Het vertrekpunt van het welzijnsbeleid is de risicoanalyse.

Klik hier voor Fiche 4.2. in PDF

De werkgever moet ervoor zorgen dat er een bijgewerkte risicoanalyse van de organisatie bestaat. Die wordt opgesteld door de IDPB of door de EDPB als de nodige competenties daarvoor intern niet aanwezig zijn. Er is geen universele methode : het beste is om te beginnen met de voornaamste risico’s in kaart te brengen en vervolgens de analyse te verfijnen.

Er moet een risicoanalyse gemaakt worden voor de vereniging in haar geheel (gebouwen, ruimtes, materiaal, werkprocedures), maar ook voor alle arbeidssituaties (opvoeder, maatschappelijk werker, onthaalmedewerker, secretaresse, opleider, familiehulp, straathoekwerker enz.) en voor specifieke gevallen zelfs op individueel niveau.

Idealiter wordt de analyse van de preventieadviseurs gecombineerd met de analyse die op participatieve wijze op basis van de deskundigheid en ervaring van de werknemers wordt gemaakt.

Inspraak van de werknemers speelt immers een essentiële rol bij het opstellen van het welzijnsbeleid. Participatieve methodes moedigen de werknemers aan om hun eigen visie op de risico’s te kennen te geven en oplossingen voor te stellen om ze te beperken. Die oplossingen zullen bijgevolg realistischer zijn en beter aansluiten op hun werkelijke taken.

Dergelijke methodes gaan overigens het gevoel erbij te horen vergroten, de werknemer verantwoordelijkheidsgevoel geven, zijn relatie met de organisatie verbeteren, zijn zelfvertrouwen ontplooien enz. Een participatieve methode draagt uiteindelijk dus bij tot het welzijn op het werk.

Een participatieve risicoanalyse biedt de werknemers de mogelijkheid om zelf speler te worden in hun preventiebeleid. Het eerste niveau van de SOBANE-strategie stelt voor om die participatieve risicoanalyse te maken met behulp van een participatieve opsporingsgids van risico’s (Déparis).

Een risicoanalyse omvat 3 luiken :

  • gevaren identificeren ;
  • de risico’s definiëren en bepalen ;
  • de risico’s beoordelen.

Vertrekkende vanuit de risicoanalyse kunnen er vervolgens preventiemaatregelen specifiek voor de vereniging opgesteld worden.

PNG - 32.5 ko

Preventiemaatregelen voor beroepsrisico’s kunnen op drie vlakken genomen worden :
1. technisch, dat betekent maatregelen met betrekking tot installaties, arbeidsmiddelen, producten enz.
2. menselijk, het accent ligt op voorlichting en opleiding van de werknemers over (alle soorten) risico’s die verbonden zijn aan hun werkpost en hun functie ;
3. organisatorisch, met betrekking tot de werking van de vereniging, d.w.z. maatregelen om werkmethodes, teammanagement, enz. te verbeteren

Actieplannen

De maatregelen worden opgenomen in twee documenten, die opgesteld worden in overleg tussen de hiërarchische lijn en de diensten voor preventie en bescherming op het werk.

  • het globaal preventieplan (GPP) wordt om de vijf jaar opgesteld. Het geeft een concrete omschrijving van de resultaten van de risicoanalyse, de prioritaire doelstellingen, de activiteiten die gevoerd moeten worden om die doelstellingen te bereiken, de middelen die daarvoor gebruikt zullen worden en de opdrachten en verplichtingen van iedereen die daarbij betrokken is.
  • het jaarlijks actieplan (JAP) wordt op basis van het globaal plan opgesteld en bevat de preventiemaatregelen die in de loop van het jaar uitgevoerd moeten worden :
    • de prioritaire doelstellingen voor het jaar ;
    • de middelen en methodes om die doelstellingen te bereiken ;
    • de opdrachten, verplichtingen en middelen van alle betrokkenen ;
    • de aanpassingen die aan het globaal preventieplan aangebracht moeten worden vanwege gewijzigde omstandigheden, incidenten en ongevallen, het jaarverslag van de IDPB en de adviezen van de CPBW of van de vakbondsafvaardiging.

De actieplannen worden gaandeweg aangepast : bij veranderingen, op basis van informatie afkomstig van werknemers (onderzoeken, registers), op basis van allerlei feiten, zoals ziekteverzuim, ongevallen, incidenten, beroepsziekten, feiten van geweld die in de registers opgenomen zijn (feiten van derden, eerstehulpverlening/incidenten, ongevallen en veiligheid) en op basis van de adviezen van het CPBW of de vakbondsafvaardiging, de IDPB, de EDPB en de arbeidsarts.